In
de middeleeuwen nam men het niet zo nauw met de hygiëne. Men maakte zich niet zo
druk over vuil dat er was en vieze luchtjes die daar hingen.
Het
toilet was een soort gat waar je op moest gaan zitten. Dit gat kwam uit op de gracht
of een beerput (dit is een put waarin alle menselijke uitwerpselen opgevangen werden.) Zo
rond de 15e eeuw werd dit gelukkig wel wat luxer, want echt fris en hygiënisch was het
niet. Als wc-papier gebruikte men repen linnen en de vloer werd bestrooid met lekker
geurende kruiden.
Een heet
bad was alleen voor de allerrijksten. Dit kwam omdat men natuurlijk moeilijk aan
warm water kon komen. Daar ging heel wat aan vooraf. Hout moest het water verwarmen.
Linnen werd gebruikt om de binnenkant van het bad mee te bekleden. Om het water een
lekker geurtje te geven deed men badolie in het water. Voor dit alles moest geld betaald
worden. Het geld dat betaald moest worden was evenveel als het bedrag waar een
arbeider een hele week voor moest werken.
In
die tijd zaten overal ratten, in de kelder en keuken bij het eten en in de stallen. Deze
ratten aten van het eten en verspreiden op deze manier allerlei ziekten. De vlooien in hun
huid verspreidden onder andere de verschrikkelijke ziekte; de pest. Deze werd ook wel
de
zwarte dood genoemd. De zwarte dood heerste heel erg tussen 1347 en 1351. In Europa
en Azië stierven door deze ziekten wel zo'n 25 miljoen mensen. Dit kwam natuurlijk omdat
men nog niet wist dat deze ratten de ziekte verspreidden en dat men niet echt een schoon
leven leidden.