In
het kasteel was er doorheen het jaar maar een kleine voorraad voedsel. Dit kwam
natuurlijk omdat een kasteelheer of koning niet een heel jaar op een kasteel verbleef. Hij
had meerdere kastelen waar hij doorheen het jaar verbleef. Maar als de kasteelheer of
koning verscheen, was de hele binnenplaats in rep en roer: bevelen en vloeken vlogen over
en weer en grote vaten met voedsel en drank denderden over de stenen. Bedienden
droegen gezouten stukken spek en zware zakken meel naar de kelders en de
voorraadkamers. Oude voorraden graan werden gecontroleerd of ze niet beschimmeld
waren en men keek na of de wijnen niet zuur waren geworden.

Vroeger
had men geen koelkast dus legde men het voedsel in de stenen kelders van het
kasteel. Helaas bleef het meest verse voedsel daar niet heel lang goed. Daar hadden ze
gelukkig wel wat op gevonden. Het vlees werd gerookt of flink gezouten. Groenten werden
gedroogd of ingelegd. Soms werd het fruit en het vlees ook wel eens samen in een ton
gedaan. Het vruchtensap drong dan in het vlees waardoor het langer houdbaar bleef.
Er
worden heel wat vleessoorten geserveerd op de borden: varkensvlees, lam, rundvlees,
gevogelte, vis en wild van de jacht. Voor de belangrijke gasten was er pauw of zwaan om
van te genieten.
Koeien,
schapen en geiten gaven hen melk. Daar werd dan room, boter en kaas van
gemaakt. De kasteelheer en zijn familie aten zachte kaas en boter. De bedienden moesten
het doen met harde kaas, gemaakt van de rest van de melk. Deze kaas was dan soms zo
hard dat hij met een hamer in stukken moest worden geslagen.
Om brood
te kunnen bakken moesten wel eerst tarwe, rogge en gerst tot meel vermalen
worden. Dit werd gedaan in de windmolens. Sommige kastelen hadden zelfs hun eigen
windmolen.
In
sommige kastelen waren bijenkorven. Honing werd veel gebruikt om eten en drinken
zoet te maken. Ook was het een van de belangrijkste grondstoffen voor 'mede' - een sterk
alcoholische drank die heel populair was.
Hiernaast
was het ook erg belangrijk dat men iedere dag fris water had om zich te wassen
en te drinken. Dit water kwam uit putten die meestal binnen het kasteel lagen. Deze putten
waren met de hand gegraven. Om aan het water te komen moest men op zoek gaan naar
onderaardse bronnen. Als deze was gevonden werd daar een put omheen gebouwd.