De eerste middeleeuwse ridders vochten in maliënkolders, die gemaakt waren van een
heleboel
ijzeren ringetjes. Het stevige, buigzame materiaal bedekte het hoofd en vormde een zwaar en
goed passend hemd voor het lichaam. maar een maliënkolder bood geen volledige
bescherming. Een pijl of een wapen kon erdoorheen gaan.
Vanaf het einde van de 13de eeuw bedekten ridders hun knieën met stalen platen, en
in de
volgende honderd jaar werden steeds meer platen toegevoegd.
In de 15de eeuw droegen ridders een stevig plaatharnas, waarvan de verschillende delen
met
klinknagels en riempjes aan elkaar vastzaten. Het viel waarschijnlijk niet mee om te vechten in
een harnas van 25 kilo. Maar het was licht genoeg om snel te bewegen en op te staan als je
van je paard viel.
De onderdelen van de wapenrusting:
-
de helm
- het halsstuk
- het borstschild
- het schouderstuk
- de okselplaat
- het onderarmstuk
- de kaphandschoen
- de dijplaat
- de scheenplaat
- het sabaton
- het wapenrok
- de veters
- het maliënstuk
In de 16de eeuw veranderde de manier van oorlogvoeren. Ridders waren niet opgewassen
tegen
mannen met lange pieken en een plaatharnas bood onvoldoende bescherming tegen
vuurwapens.
Kijk op volgende websites voor meer informatie en fotomateriaal:
Franse website, kijk bij het onderdeel Armes
et harnois voor mooie foto's over de wapenrusting.