De ingang van een kasteel is beveiligd met een
ophaalbrug en twee valpoorten.
De muren worden steeds dikker
gemaakt, ze moeten de stoten van het stormram kunnen
opvangen.
De soldaten konden zich verschuilen achter de
kantelen.
De soldaten wierpen heet zand en stenen
door de gaten in de rots.
Sommige kastelen hadden zogenaamde moordgaten
boven de poort. Soldaten konden zo
kokend water of heet zand op de vijandelijke soldaten gooien die door de poort naar binnen
drongen. Ze konden ook koud water neergieten om het vuur te blussen dat de vijand had
aangestoken.
In de kasteelmuren zaten spleten, de schietgaten,
die van binnen breder waren dan van buiten.
Binnen konden de soldaten goed hun pijlen afvuren, maar de spleten waren te smal om van
buiten naar binnen te schieten. Zo hoefden de schutters niet bang te zijn om zelf geraakt te
worden.