2.2 de verdediging
De ingang van een kasteel is beveiligd met een ophaalbrug en twee valpoorten.
De muren worden steeds dikker gemaakt, ze moeten de stoten van het stormram kunnen opvangen.
De soldaten konden zich verschuilen achter de kantelen.
De soldaten wierpen heet zand en stenen door de gaten in de rots.
Sommige kastelen hadden zogenaamde moordgaten boven de poort. Soldaten konden zo kokend water of heet zand op de vijandelijke soldaten gooien die door de poort naar binnen drongen. Ze konden ook koud water neergieten om het vuur te blussen dat de vijand had aangestoken.
In de kasteelmuren zaten spleten, de schietgaten, die van binnen breder waren dan van buiten. Binnen konden de soldaten goed hun pijlen afvuren, maar de spleten waren te smal om van buiten naar binnen te schieten. Zo hoefden de schutters niet bang te zijn om zelf geraakt te worden.