Het was natuurlijk hartstikke leuk om in een kasteel te wonen. Al onze moderne voorzieningen
hadden ze toen niet, dus soms was het wel een beetje afzien. Ze hadden bijvoorbeeld ...
-
GEEN dubbel glas. Het tochtte dus als een ziekte. Er hingen luiken voor de ramen
om de
kou buiten te houden, maar daar werd het toch niet minder tochtig van. Ook werden er
tapijten aan de muren gehanen, zodat de wind je niet om de oren gierde.
- GEEN toiletten, alleen een gemak.
Dit was een klein kamertje dat uitstak uit de
kasteelmuur; je grote boodschap viel zo de gracht in. (De eenden moesten uitkijken waar
ze zwommen!)
- GEEN elektrische kookplaten, alleen
ovens die met hout werden gestookt en open
haardvuren. Het vlees draaide aan een spit boven het vuur. Het vlees was meestal van
buiten een beetje aangebrand en van binnen een beetje rauw.
- GEEN tapijten ... Er werd stro op
de vloer uitgespreid om de gemorste etensresten op te
vangen. Je kon met je vingers eten en de botjes naar de honden gooien. Wat er bij de
hond aan de éne kant in gaat, komt er natuurlijk aan de andere kant weer uit, dus je moest
kijken waar je liep.
- GEEN bedden, behalve die van de kasteelheer.
Arme sloebers als jij moesten gewoon in
het stro op de grond slapen. Dat was smerig, stonk en zat vol vlooien ...
- GEEN badkamer. 's Zomers zwom je
zo nu en dan in de rivier om de vlooien en luizen van
je lijf te spoelen. Rijke mensen lieten een bad volgieten met water dat boven een vuur
verwarmd was.