Bij speciale gelegenheden werden er schitterende feestmaaltijden opgediend in de grote
zaal.
Aan de belangrijkste tafel zaten de kasteelheer, zijn familie en de meest belangrijke gasten.
Deze eretafel stond hoger dan de andere.
De komst van het feestmaal werd aangekondigd door trompetgeschal; daarna bracht een
rij
bedienden de schotels binnen. De gasten kregen soep en pastei, paling en lamprei,
geroosterde gans, reiger of zwaan, en enorme taarten en vruchtengebak voorgezet. Het maal
werd opgediend op grote schotels, voor een aantal gasten tegelijk. Speciale gasten hadden hun
eigen schotels en aten van gouden of zilveren borden. De anderen deden het met een stuk oud
brood dat het vet uit het eten opzoog. Wat overbleef werd uigedeeld aan de hongerigen buiten
bij de kasteelpoort.
1. Het witte tafelkleed versiert men met verse bloemen zoals viooltjes en vergeet-mij-
nietjes.
2. De gasten eten meestal op een plankje van tin of hout met daarop een snee brood.
3. Met een puntig mes neemt men stukjes vlees of vis uit de schotel, men legt ze op
het
sneetje brood en eet het dan met de vingers op.
4. Met een lepel bedient men zich van saus of stoofpotjes.
5. De vork komt pas later op tafel!
6. Wijn of bier drinkt men uit hele mooie glazen, tinnen of aardwerken bekers en houten
of
tinnen nappen.
7. Je handen afvegen kan aan servietten of aan het tafellaken!
Eens proberen?